Etappe 10: Val Dieu – Kelmis

Een wandeling rondom Zuid-Limburg is een wandelgids van Alex Buis. Wij hebben de laatste drie etappes gelopen en doorkruisten vele malen de taalgrens. Vlak over de grens maar geen spoor van Nederland.

In tegenstelling tot gisteren lijkt het vandaag droog te blijven. De zon knijpt zelfs zo nu en dan tussen de wolken door. Tijdens het ontbijt blijkt het personeel wel degelijk een woordje Nederlands te spreken. Letterlijk één woordje: “kamer”. We lopen via een piepklein paadje omhoog naar een oriëntatiepunt vlak boven het dorpje Saint Jean Sart. Behalve blaffende honden horen en zien we geen levende ziel op deze maandagmorgen. De oriëntatietafel is zeer “episch” vormgegeven: als je door je knieën zakt en je oog over het bronzen oog op de tafel laat gaan ontvouwt er zich een grijs en donker berglandschap. Volgens Karin lijkt het op “game of thrones”, een fantasy-achtige apocalyptische tv-serie.

Faciliteiten voor Franstaligen

Snel na dit hoogtepunt belanden we op een lange rechte asfaltweg, de N608, die ons naar Remerswaal moet leiden. Daar pikken we de wandelroute uit de gids weer op. De weg loopt exact over de taalgrens tussen de Voerstreek en Wallonië. De Voerstreek is een exclave van de Belgische provincie Limburg en is omgeven door de Franstalige provincie Luik aan de zuidgrens en de Nederlandse provincie Limburg aan de noordgrens. Officieel zijn de dorpen in Voeren Nederlandstalig met zogenaamde “faciliteiten voor Franstaligen”. We zien het aan de plaatsnaamborden die hier tweetalig zijn, terwijl die in Wallonië vanzelfsprekend alleen in het Frans zijn. Wanneer we in Remersdaal aankomen blijkt dat de taalstrijd die vooral woedde in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw nog steeds leeft. Op een van de vele blinde muren is met grote witte letters “Village Wallone” gekalkt. En dat terwijl Remersdaal, ofschoon in het Nederlandstalige Voeren gelegen, eigenlijk Duitstalig is. Karin vraagt zich af of het begrip “voertaal” aan de taalstrijd in de Voerstreek te danken is.

Even achter Remersdaal passeren we een prachtige Mariagrot en nemen het pad dat omhoog loopt. Het gladde modderspoor brengt ons naar een bosrand waar ik tot mijn grote vreugde een oud spoorwegviaduct ontdek. Nu herken ik ook weer de omgeving. Een paar jaar geleden heb ik deze route gecontroleerd samen met mijn collega uitgevers Bart en Lourens en routemaker Alex. Behalve de beschrijving lezen heb ik toen ook veel lopen ouwehoeren en niet altijd goed gekeken waar we precies links of rechtsaf zijn gegaan. Karin verdenkt me ervan expres de saaie rechte weg te hebben willen lopen om nu “heel toevallig” bij deze spoorlijn uit te komen. Ik wist het echt niet meer. Maar ik ben er wel blij mee want nu weet ik ook weer dat we straks bij een paar verroestte spoorwegwagons in het bos komen.

Plombière

Na een half uurtje door een jachtgebied te hebben gelopen bereiken we de in een diepe geul gelegen voormalige spoorlijn. We dalen af. De vorige keer hebben we toch echt op de spoorrails gelopen. Die zijn er niet meer. Ook de wagons zijn verdwenen. Dit herinner ik me heel anders. Enigszins teleurgesteld lopen we terug om de route uit het boekje weer op te pakken. Eerst knagen we aan onze mueslireepjes om in onze lunch te voorzien. Net zo min als de bekroonde gids voor meer wandelaars in deze streek heeft gezorgd ontbreekt het ook aan de nodige horeca of winkels langs de route. In Saint Jean Sart en in Remerswaal waren de winkels en cafés gesloten. Maar dat is op een maandagmorgen natuurlijk ook weer niet zo heel gek.

Via vele draaihekjes lopen we door glooiende weilanden. Onder ons loopt de meer dan twee kilometer lange spoortunnel van Veurs. Diep onder ons zien we het enorme rangeerterrein van Hombourg. Daar moet ik nog eens naar toe want het schijnt dat je daar kunt overnachten in slaapwagons. We naderen nu het dorpje met de prachtige naam Plombières. De vorige keer hebben we hier een verkwikkende startpils gedronken in café L’Arret, naast de sombere maar indrukwekkende kerk in het centrum van het dorp. Een prachtig authentiek dorpscafé waar het raadzaam was alleen producten te eten die in jouw nabijheid geopend werden. Routemaker Alex maakte de fout chocolademelk te bestellen die door de barman zelf zonder de nodige zorg en toewijding werd klaargemaakt. De nootjes die bij de startpils werden geserveerd kwamen uit een grote voorraademmer die in het vorige millennium bij de groothandel was aangeschaft en nadat hij was geopend nooit meer helemaal goed dicht was gedaan. Maar verder was de sfeer prima in dat café. In gedachten zie ik me dan ook al achter een lekkere tripel zitten wanneer we Plombière naderen. Al snel ruik ik onraad. Ik heb dan de vorige keer misschien niet altijd even goed opgelet, dit café heb ik wel degelijk gezien, bezocht zelfs. Toch is er geen spoor van te zien. Zelfs geen verkleurde plekken op de muur waar de lichtreclame gehangen zou kunnen hebben. Ook aan de gevel, de ruiten en de deur is niet te zien dat hier vroeger een café is geweest.

Ik moet Karin teleurstellen maar kan haar gelukkig wel een volgend café in het vooruitzicht stellen. In het dorp Moresnet, vreemd genoeg niet gelegen in het voormalige landje Neutraal Moresnet, heb ik de vorige keer wel twee cafés gezien. Maar eerst lopen we over het terrein waar vroeger lood werd gewonnen en Plombière haar naam aan te danken heeft. De grond is er op sommige plekken nog steeds compleet vergiftigd. Een enorme kale vlakte van zwarte kiezels en grind met hier en daar een zielig takje of boompje wat nauwelijks overlevingskansen lijkt te hebben. Op een informatiebord lezen we dat hier een paar specifieke plantjes kunnen overleven waarvan het gele zinkviooltje het bekendste is.

Geul

De route voert ons nu langs een kronkelend riviertje. Het blijkt niet zomaar een riviertje te zijn maar niets minder dan de Geul. “Onze” Geul stroomt hier flink bruisend en met grote snelheid naar lagere delen. In het voormalige mijngebied is zelfs een behoorlijke waterval. Ook hier blijkt maar weer hoe verschillend Nederland en België zijn. Bij ons gedraagt alles en iedereen zich braaf en keurig volgens de regels. Niets of niemand zorgt voor overlast en niets kan en mag ons overkomen. In Zuid-Limburg kabbelt de Geul vredig en rustig door en tussen de aangeharkte weilanden en beschermde natuurgebieden. In België is diezelfde Geul een woest stromende rivier die zijn eigen gang gaat. Voorzichtig het natuurgeweld volgend ontdekken we een hoge stenen boogbrug. Mijn spoorhart gaat weer sneller kloppen en een paar meanders later blijkt ook dit een oude spoorlijn te zijn. De opwinding over deze attractie maakt helaas al snel plaats voor teleurstelling wanneer het ene café in Moresnet gesloten is en achter de ramen van het andere café posters hangen met “te koop”. We zullen dus nog even door moeten lopen en merken dat de mueslireepjes inmiddels verbrand zijn.

Spoorviaduct Moresnet

De stemming wordt beter wanneer we het machtige spoorviaduct zien dat zowat heel het dorp Moresnet omspant. Dit kan ik me ook weer goed voor de geest halen. Vooral de enthousiast rondspringende Bart staat nog helder op mijn netvlies. Toen hij het deplorabele voetbalveld met dito dugout ontwaarde dat pal onder het viaduct bleek te liggen heeft hij ontelbare foto’s gemaakt van dit cultureel sportieve monument. Ook Karin wil hier graag op de foto. Met enige moeite vinden we in het hoge gras restanten van de kalklijnen; zo heel vaak wordt dit voetbalveld niet gebruikt. Ik maak een foto van haar langs de achterlijn; wie weet kan ze dit plaatje nog gebruiken om haar boek “Langs de lijn” in België te promoten.

Vlak voordat we Kelmis bereiken worden we opnieuw getrakteerd op een oude spoorlijn. Een fraaie verroestte brug en een kaarsrecht pad laten maar weinig aan de verbeelding over. Dit zijn de restanten van spoorlijn 39a, van Moresnet naar Kelmis. Een baanvak van amper drie kilometer. In Kelmis aangekomen zien we een spoorwagon staan ter herinnering aan deze spoorlijn die al in 1952 is opgebroken.

Neutraal Moresnet

Kelmis is de hoofdstad van de voormalige vrijstaat Neutraal Moresnet. Toen Napoleon in 1810 definitief was verslagen lukte het Nederland en Pruisen niet om rondom Kelmis een nieuwe grens vast te stellen. Beide landen wilden graag de profijtelijke zinkmijn binnen hun landsgrenzen hebben. Ze besloten het besluit uit te stellen en een gebied van ongeveer 300 hectare op de kaart aan te wijzen als ‘onverdeeld gebied’. De impasse over dit grensbesluit duurde meer dan honderd jaar. Pas in 1920 zou het gebied rondom de mijn definitief aan België worden toegewezen. In die honderd jaar van wetteloosheid groeide Neutraal Moresnet uit tot een curieus smokkelhol met meer dan dertig cafés, een casino, een eigen munt en het tijdelijke hoofdkwartier van de internationale Esperanto beweging. In het neutrale gebied liepen slechts twee veldwachters rond (een van beide buurlanden) die onmogelijk alles in de gaten konden houden. Afwisselend vertegenwoordigde een burgemeester van Nederland of Duitsland het gezag maar verder konden de paar honderd inwoners en vele landlopers al die tijd hun gang gaan.

Tegenwoordig is er nog maar weinig te zien van deze roerige tijd. Er is een prachtig fonkelnieuw museum gevestigd in het voormalige hoofdkwartier van de Societé Calamine. Het museum hanteert interessante openingstijden. Wanneer wij, na eerst bij de tegenoverliggende supermarkt de nodige brandstof hebben ingeslagen, voor de deur staan is deze gesloten. In de maanden juli en augustus is het museum geopend van ’s ochtends 8 uur tot 12 uur en in het weekend de hele dag. In de wintermaanden alleen vanaf woensdagmiddag tot zondag. Nu heb ik twee jaar geleden al een bezoek gebracht aan de voorganger van dit museum. Een grote villa waarin interessante oude foto’s, landkaarten en plattegronden van het dorp werden tentoongesteld. Een vitrine met muntstukken en postzegels en een prachtig banier. In de fanshop kon ik toen twee flesjes bier kopen met een etiket met daarop de vlag en het wapen van Neutraal Moresnet. Met dit nieuwe museum lijkt het erop dat de gemeente deze kleurrijke geschiedenis van dit dorp meer wil uitdragen om zodoende toeristen te trekken.
Dat kan geen kwaad want het enige hotel, pal naast de voormalige zinkmijn, blijkt gesloten. We bellen naar het nummer dat op de voordeur vermeld staat. Geen gehoor. We besluiten dan maar de bus naar Aken te nemen om daar in het ons vertrouwde A&O Hostel te gaan slapen. Maar eerst nemen we een startpils in een café in het centrum van Kelmis. Aan de bar blijkt hoe meertalig deze streek is. De barvrouw spreekt Duits, links van ons praat een echtpaar Frans met elkaar en rechts van ons aan de bar spreken twee mannen Nederlands met een sterk Limburgs accent.
Wanneer we bij de bushalte wachten worden we gebeld door een dame van het hotel. Ze begint in het Frans maar hoort al snel dat ik dat niet goed spreek. Ze schakelt over in het Duits en daarna zelfs in het Nederlands. Ze heeft er veel voor over om ons een code te verkopen waarmee wij voor 98 euro toegang kunnen krijgen tot het verlaten hotel. Ik zeg dat me dat veel te duur is en bedank haar vriendelijk. Voor dat geld kunnen wij twee nachten in Aken slapen.

Athens

Aken kennen we goed van vorig jaar. Toen hebben we van Lierderholthuis naar Metz gelopen en passeerden we halverwege Aken. Karin heeft een interessant Grieks restaurant ontdekt. “De moussaka schijnt er verschrikkelijk te zijn en de ober een lompe hark” zijn de aanbevelingen op het internet. Vanuit onze kamer kunnen we de ingang bijna zien: genoeg reden om een poging te wagen.
Wanneer wij naar binnen gaan laat de ober juist een ander echtpaar uit. Hij knikt ons goedenavond en gaat ons voor door het lege restaurant. Onze gastheer is traditioneel gekleed in zwart en wit en ik kan geen vlekken ontdekken op zijn blouse of witte theedoek. Ook zie ik geen roos op de schouders van zijn zwarte jasje. Bij het laatste tafeltje in de hoek slaat hij met een servet wat vermeende kruimels van tafel en gebiedt ons plaats te nemen. “Etwas zu trinken?” We nemen witte wijn en dunkel Weißen. Een glas kraanwater is teveel gevraagd. Dat is volgens hem in Duitsland verboden te serveren. Aan de moussaka die Karin bestelt mankeert niets. Die wordt volgens onze ober dan ook “jeden Tag frisch gemacht”. Voor mijn mixed grill is een tweede halve liter dunkel Weißen nodig om een en ander weg te spoelen maar dat ben ik wel gewend bij de gemiddelde Griek. Ondertussen wordt het bijna gezellig in het lege restaurant: twee Chinezen en een ander stel hebben ook hun oog laten valen op dit restaurant. Na iedere bestelling verdwijnt hij door een klein deurtje naar achter. Vanuit mijn positie zie ik een voorraadkast met glazen en tafelkleden. De keuken en de kok moeten zich daar ergens achter bevinden. Van de aanwezigheid van de kok merken we overigens niets want onze ober lijkt geluidloos of alleen in schrift met hem te communiceren. Zorba wordt steeds spraakzamer en vertelt hoe lastig het is een restaurant als dit te runnen. Alleen de administratie al! Mismoedig slaat hij op zijn papieren notitieblokje en wijst naar een kladblok bij de kassa. “Ze kijken en controleren alles. Alles!” Toch lijkt dit leven hem goed te bevallen want hij zegt al 44 jaar restaurateur in Aken te zijn waarvan de laatste 19 jaar op deze locatie.