Diepenheim – Weldam

Tijdens mijn loopjes langs de Regge volg ik zoveel mogelijk de loop van de rivier. De Regge loopt van Diepenheim noordwaarts naar Ommen. In deze eeuw heeft de rivier haar loop terug gekregen die zij in de vorige eeuw verloor.

Ten noorden van Diepenheim duikt De Regge onder het Twentekanaal door

De tweede dag van onze verkenningen rond de Regge brengt ons verschillende keren in aanraking met moderne kunst. Niet vreemd want Diepenheim timmert al jaren aan de weg als “centrum voor beeldende kunst”. Nadat we eerst een stukje hebben gelopen langs de vijvers in het park van landgoed Diepenheim komen we ons riviertje al snel tegen. Het is nog steeds een smalle en behoorlijk rechte sloot van nauwelijks meer dan een meter breed. Wel is al te zien dat de begroeiing langs de oevers volgens de laatste inzichten van modern waterbeheer is ingericht. De hoge scherpe waterkant is wat schuin afgegraven en tussen het hoge gras waarover we lopen groeien al de eerste koekoeksbloemen en andere vrolijk gekleurde plantjes waarvan ik de namen niet weet.

Op onze tweede verkenningsdag rond de Regge kunnen we voor het eerst echt langs de rivier lopen.

Aan de rand van het dorp passeren we een perk met vele metalen bordjes met cijfers erop tussen hoog opgeschoten gras. Temidden daarvan verheft zich een meters hoge stalen muur. Bruin uitgeslagen van de roest. Na deze muur van alle kanten te hebben bekeken op zoek naar letters of tekens die enige betekenis zouden kunnen geven aan dit bouwwerk, ontdekken we een bord met tekst en uitleg. Het blijkt hier om kunstwerk “Monomet” te gaan van Lucas Lenglet. We lezen dat de kunstenaar in een luchtballon boven Diepenheim heeft gevaren en naar beneden kijkend heeft vastgesteld dat het onderliggende land vooral groen en grillig van vorm was. Als tegenstelling leek hem een vier meter hoog blok bruin cortens staal een passende reactie. Ook had hij meer dan duizend verschillende soorten hosta’s laten planten. Bij iedere plant een bordje. Dat zijn dus de bordjes met de nummers. Helaas hebben niet alle hosta’s de tand des tijds overleefd. Ter omlijsting van het geheel is een laantje met rode beuken. Deze zien er gelukkig aanmerkelijk beter uit dan de duizend hosta’s waarvan er al honderden zijn verpieterd.

De beeldende kunst gaat in Diepenheim helemaal op in de omgeving.

“Monomet” is niet het enige kunstwerk op onze route. We volgen de Regge, die inmiddels voorzichtig weer wat bochtjes maakt en zien vlakbij een fietsbrug een grote bloem, gemaakt van dode takken. Met de zon er op lijkt het op een paardenbloem waarvan de blaadjes pluisjes zijn geworden die door de wind meegenomen worden. Ook passeren we een rij van vijf bijenkasten waarvan er een aantal zijn “versteend”: dat gebeurt er met de natuur als er weinig bijen meer zijn, volgens de begeleidende tekst van kunstenaars Jimini Hignett en Doris Denekamp.

Onze Regge nadert nu het Twentekanaal en al snel nemen we voor vandaag afscheid van de rivier nadat deze via een gemaaltje onder het kanaal is verdwenen. De volgende keer pikken we hem aan de andere kant bij Goor weer op om hem verder te volgen. Nu is het voor ons de taak om via zoveel mogelijk zandpaadjes of achterafweggetjes weer terug naar Diepenheim te lopen. Dat valt nog niet mee. We hebben, net als de eerste dag, een luxeprobleem: het ene weggetje is nog mooier dan het andere paadje.

De St. Mary Chapel van de Anglicaanse kerk Twente.

Het eerste hoogtepunt is St. Mary’s Chapel, een in de bossen verscholen kerkje met een zeer Engels aandoende architectuur. Dat blijkt al uit de vakwerk houten overkapping bij de ingang en wordt verder bevestigt door de tekst op het bankje: “a place in the sun”. Alles bijelkaar ademt het de sfeer van een Engelse cottage. Na dit kapelletje steken we de grote weg over om uit te komen op de met waaltjes beklinkerde oprijlaan van landgoed Weldam. Een lange muur met tuinderswoning brengt ons al in de sfeer van eeuwen terug, een gevoel dat nog wordt versterkt wanneer we over het knisperende grind naar door het openstaande smeedijzeren hek de voorplaats van de havezate oplopen. We betalen vijf euro aan de tuinman en laven ons aan een tuin van Versailles-achtige allure. Een lommerrijke berceau, een doolhof waar we slechts na een enige moeite het uitkijktorentje weten te vinden, vijvers, kunstig getrimde coniferen en buxushagen en “grand canals” met aan het eind in de zon wit opblinkende standbeelden. Op werkdagen is deze lusthof te bezichtigen en, zeker in deze coronatijden, is het er zeer rustig. Gelet op de mogelijk nog naderende nachtvors hebben de tuinmannen, er zijn er drie fulltime in dienst, nog gewacht met het inplanten van de perken met eenjarige bloemen die in de kassen aan de overkant van de oprijlaan worden gekweekt.

Het is Karin gelukt het doolhof in de tuinen van Het Weldam te doorgronden.

Via slingerende paadjes met aan weerszijden oude smeedijzeren half vervallen hekjes lopen we van het ene landgoed naar het andere. Waar de luiken op landgoed Weldam een geel middenpaneel hebben, zien we op landgoed ’t Nijenhuis dezelfde luiken als op Westerflier: een zwart-witte zandloper. Ook havezate ‘t Nijenhuis wordt, net als de andere huizen rondom Diepenheim, particulier bewoond en is niet toegankelijk voor publiek. Dat maakt het des te spannender om er omheen te lopen en door het struweel heen alvast een glimp op te vangen van de grandeur van vroeger. Eenmaal voor het huis staande zien we dat ook ’t Nijenhuis in uitstekende staat verkeert. Net als bij Huize Diepenheim staan ook hier “werkautootjes” op het binnenplein. Blijkbaar zijn er nog steeds vermogende families om zo’n groot landgoed te beheren.

Het terras bij watermolen Den Haller is hopelijk na de coronatijd weer normaal geopend.

Het enige dat nog ontbreekt op onze route is een restaurant met een terras. Hoewel het in corona-tijd niet geopend zal zijn maken we toch een ommetje richting watermolen Den Haller aan de Diepenheimse Molenbeek die we vandaag al zijn gepasseerd. Het is te hopen dat we hier binnekort weer eens neer kunnen ploffen voor een koude startpils maar vandaag doen we het met water uit de veldfles. Na de watermolen doorkruisen we de andere kant van landgoed ’t Nijenhuis op zoek naar een kronkelend paadje dat ons weer terug kan brengen naar Diepenheim. Die paadjes zijn er in overvloed maar een blik op de stafkaart leert ons dat geen van hen ons dichterbij het dorp brengt. Uiteindelijk blijkt de lange rechte Nijenhuizerlaan, zoals aangegeven in het routeboekje van het Reggepad, toch de beste optie.